Het was eind jaren negentig toen ik een Zuid-Afrikaans wijnhuis mocht vertegenwoordigen op de gigantische wijnbeurs, de Vinexpo in Bordeaux. Na de afschaffing van de apartheid werd de internationale boycot van Zuid-Afrika opgeheven en mochten Zuid-Afrikaanse wijnen weer wereldwijd geïmporteerd worden. Dit bood kansen. Zuid-Afrika had een eeuwenoude wijnbouwhistorie. Het was onze eigen Jan van Riebeeck die daar de eerste wijnstokken aanplantte. Aan het eind van de achttiende eeuw was de wijn van Constantia de allerduurste en meest prestigieuze wijn ter wereld. Ter illustratie: het was de wijn die keizer Napoleon tijdens zijn verbanning op St.- Helena bestelde.

Het klimaat en de bodem moeten dus uitermate geschikt zijn om wijn te maken en de wijnwereld stortte zich op het Zuid-Afrikaanse potentieel. Bijkomend voordeel voor de Nederlandse markt is dat wijnnamen als Groot Geluk en Nooitgedag tot de verbeelding spreken.

Kwaliteitswijn produceren bleek echter niet zo eenvoudig te zijn. Dankzij de boycot was de wijnbouwkunde enigszins achtergebleven en daarnaast produceerde men alleen wijn voor de binnenlandse markt. De voorkeur van die markt was halfzoete witte wijnen. Absoluut geen wijn, die tegemoet kwam aan de toen heersende internationale smaak naar wijnen van het Bordeauxtype. Als een gek werden overal nieuwe wijnstokken aangeplant. Voor die nieuwe aanplant werden, zo blijkt met de kennis van nu, vaak verkeerde klonen gekozen.

Een ander problematisch punt was dat Zuid-Afrika graag prat ging op zijn ‘eigen’ druivensoort, de Pinotage. De Pinotage is een in 1925 bedachte kruising tussen Cinsault en Pinot Noir. Botanisch wellicht geslaagd, maar natuurlijk volstrekt ongeschikt om er drinkbare wijn mee te maken. Althans, de geur van een plastic tas vol met nat wasgoed heb ik persoonlijk nooit zo kunnen appreciëren.

Gelukkig waren er ook wijnmakers die hun best deden om echt goede wijn te maken. Een van die wijnhuizen mocht ik vertegenwoordigen op de Vinexpo. Kosten noch moeite werden door dat huis bespaard om een grote wijn te maken. Dure vaten werden vanuit Frankrijk aangerukt om de wijnen de juiste houtrijping te geven, wijngaarden werden opnieuw aangeplant en dure consultants ingehuurd om het best mogelijke daar te verwezenlijken.

Ik moest hieraan terugdenken toen ik de discussie over mijn vorige bijdrage volgde. De centrale vraag was: waar wordt er nou meer geknoeid, in de Bordeaux of in de Bourgogne? Eigenlijk moet de vraag zijn of dat wel zo erg is? Stel je voor dat je door middel van moderne technieken op eenvoudige wijze wijnen kan produceren die exact hetzelfde smaken als een Haut Brion 1989 of een Richebourg van Henri Jayer 1978? En dan voor een supermarktprijs. Zou dat niet een utopie zijn? Is het zo schandelijk trucs met de wijn uit te halen om een bepaald effect te krijgen? Blijkbaar wel: Toen ik op de Vinexpo in mijn stand stond, werd ik aangesproken door een Fransman. Hij deed heel geheimzinnig en ik begreep niet wat die man moest. Hij leek wel een drugsdealer die achteloze toeristen benadert. Uiteindelijk wist hij me discreet naar achter mee te nemen en daar drukte hij me een verfrommeld papier in de hand. “Le vrai goût Français” stond er boven en een faxnummer om te bestellen. Deze echte Franse smaak werd gecreëerd door een soort grote theezakken met zaagsel die je in de wijn kon hangen om er houtsmaak aan te geven zonder te hoeven investeren in kostbare houten fusten. Blijkbaar was het aanbieden van zaagsel een illegale activiteit.

Dit alles speelde precies een jaar na de Tour de France van 1998, die de geschiedenis zou ingaan als de Tour Dopage en het begin inluidde van de klopjacht op dopingzondaars. Zou er een relatie zijn?injectie

Be Sociable, Share!
Share