In het conservatieve en traditionele Franse wijnlandschap ontstond eind jaren tachtig een nieuw type Bordeaux, de zogenaamde garagewijn. Deze naam dekt een dubbele lading; de wijnen werden niet in de kelders van eerbiedwaardige chateaux gemaakt, maar in schuren, loodsen, ja zelfs in garages. En de wijnen werden echt gemaakt, de druiven werden door technisch zeer onderlegde wijnmakers met de modernste technieken tot wijn gesmeed.

De voorloper van de garagewijn is Le Pin, niet Château le Pin of Domaine le Pin, desnoods Clos le Pin, nee gewoon Le Pin. Deze Pomerol produceert ieder jaar slechts 500 tot 600 kisten wijn, die zeker nadat Parker een van de eerste oogsten 1982 100 punten gaf, fabelachtige geldbedragen moet opleveren. Momenteel kost een fles, afhankelijk van het jaar, tussen de 1100 en 2500,- euro.

Dit succes vond vooral in het naburige wijndorp Saint Émilion navolging. Château de Valandraud is de meest befaamde van deze wijnen. Sinds 1992 maakt Jean-Luc Thunevin daar een wijn, die naast enorme prijzen ook wagonladingen kritiek krijgt. Voor een deel komt die kritiek voort uit jaloezie. De status van een wijn is af te meten aan de prijzen die de wijn opbrengt (dit is bijvoorbeeld de basis van het Classificatiestelsel uit de Médoc van 1855). Het is dan best vervelend als een nieuwkomer plotseling veruit de duurste wijnen levert. De kritiek is ook inhoudelijk. Valandraud heeft geen terroir zeggen de critici, de Nederlandse TD van Cheval Blanc stelt zelfs schertsend dat Valandraud een wandelend terroir heeft. Dat zit zo: Thunevin heeft/least een paar verspreide percelen in de Saint Émilion. Mooie percelen met oude wijnstokken, dat wel, maar ze liggen zo verspreid dat de wijn geen eenduidig terroir omvat. En terroir is juist zo belangrijk in St. Émilion met haar Côtes en Graves. Om het nog erger te maken: bij Valandraud wordt niet ieder jaar wijn van dezelfde wijngaarden gemaakt. Thunevin koopt en verkoopt. Het terroir verplaatst zich en dat is natuurlijk helemaal schandelijk. Hoe kan men in zo’n geval iets zeggen over bijvoorbeeld de houdbaarheid van de wijnen? Hoe het komt dat Valandraud het woord Château in de naam kan gebruiken is al helemaal een raadsel.

Aan de ‘garage’ waar de wijn gemaakt wordt zal het niet liggen. Ik ben er in 1999, op het hoogtepunt van de Valandraud-hype, geweest. Het was weliswaar geen oude aftandse garage, maar de voormalIige garage in het oude centrum van St. Émilion had inderdaad weinig chateau-achtige uitstraling. Van binnen was het overigens wel luxueus, ik herinner me bijvoorbeeld een indoor zwembad. We waren als kinderen giechelig van opwinding dat we daar op audiëntie mochten. De wereldberoemde wijnmaker Peter Cisek van de Ribero del Duero, Dominio de Pingus was er ook en we kregen fustmonsters 1998 Valandraud en Pingus te proeven. Beide wijnen waren indrukwekkend, groot geconcentreerd, complex en weelderig, Ik realiseerde me dat dit waarschijnlijk de enige keer in mijn leven zou zijn dat ik de wijn zou drinken. Een fles van het mindere jaar 1996 kostte in Amsterdam al 1400,- gulden en de prijzen bleven stijgen. Een bijzonder moment.

Enige tijd geleden kwam ik de 2001 van Valandraud tegen, volgens Parker moet dat jaar een van de beste zijn. Tachtig euro voor een fles is veel geld, maar ook wel weer behapbaar. Een paar weken geleden proefde ik de wijn… Ik weet het niet, de wijn was geconcentreerd, de wijn had een lange afdronk, maar hij was ook een beetje saai. De wijn was zijn fruit kwijt en er was niets anders voor in de plaats gekomen. Geen ontwikkeld bouquet, geen verfijning ook niet na vele uren in de karaf. Zouden die jaloerse buren van Thunevin toch gelijk hebben gehad?

valandraud

Be Sociable, Share!
Share