The seventies

Het was een rare tijd, die jaren zeventig. Thuis hadden wij oranje muren en een bruin ribfluwelen bankstel, de buren een oranje bankstel en ribfluweel op de muren. Schrootjesplafonds waren ook heel erg in, net zoals de zitkuil. Sommige dingen zou je bijna zijn vergeten, maar zijn gelukkig in films zoals het hilarische Boogie Nights weer tot leven gebracht. Ik herinner me dat in de film de camera met de acteur mee een huis binnenging en even bleef hangen bij iets dat aan de muur hing: een soort reliëf van metalen cirkels, driehoeken en andere geometrische vormen die samen een vis moesten voorstellen. Toen de camera inzoomde ging er een golf van lach door de bioscoopzaal. “Oh ja, dat is waar; die rotzooi hadden we aan de muur.”

Maar goed, een rare tijd die jaren zeventig. De tijd van pornosterren met schaamhaar, de tijd waarin mannen polstasjes bij zich droegen, de tijd waarin de bistro’s opkwamen met verschrikkingen als Tong Picasso, Canard à la Orange en andere culinaire buitenissigheden. Dat de totale rosé-import van heel Nederland tussen 1980 en 1996 niet meer dan 120 flessen per jaar besloeg, is geheel te wijten aan de smerigheid die onder de naam rosé in de jaren zeventig werd geserveerd. Geoxideerde kleeflimonade met alcohol. Voor lezers met historische interesse en experimenteerdrift: soms zie je nog wel eens een verloren fles Mathéus rosé op een achterafplank in een verlaten avondwinkel. Die hang naar oxidatie was alom; niet voor niets was sherry de meest populaire wijnsoort in Nederland. Maar ook de champagnehuizen waren niet te beroerd hun smaak aan te passen. Champagnes als Moët & Chandon en Veuve Cliquot smaakten heel anders dan nu. Een smaak die nu zo mooi eufemistisch wordt aangeduid met goûte Anglaise . En als de Fransen iets met zo’n term omschrijven, kun je al nattigheid voelen. Inderdaad zullen de meesten tegenwoordig zulke Champagnes niet meer waarderen. Bollinger komt nu nog het meest in de die richting. Champagne met sherry-smaak zou je kunnen zeggen. Maar ook Bollinger smaakt echt niet meer zo geoxideerd als twintig jaar en langer geleden. Ten overvloede werden die wijnen ook nog in coupes geserveerd, alsof ze nog wat extra lucht nodig hadden.

De andere wijnen die in die duistere periode populair waren, waren de een beetje zoete Duitse Rieslings uit vooral de Moezel en de Rheingau. Nu heb ik Riesling wel altijd een superieure druivensoort voor witte wijnen gevonden, maar dat zoete spul uit Duitsland heb ik altijd hautain beschouwd als weer zo’n uitwas uit de seventies. Een collega probeerde mij aan het eind van de jaren negentig nog eens te overtuigen dat er echt interessante wijnen gemaakt werden. Ik heb hem hard uitgelachen. Die halfzoete gedrochten, in flessen met etiketten die door de makers van ‘The sound of music’ al voor oubollig werden versleten.

Een aantal jaar geleden ben ik daar helemaal van teruggekomen. Wat een prachtige wijnen en wat een verscheidenheid; van schraal strakdroog, tot zo weelderig dik en zoet dat je het op een boterham zou kunnen smeren. Maar in alle gevallen worden de wijnen ondersteund door fantastisch frisse zuren. Het bijzondere van die wijnen is dat je vaak (overigens meestal ook betaalbaar) het terroir kan terugproeven. Goede wijnen uit de Rheingau hebben vaak wat Grapefruit in de smaak, wijnen uit de Saar zijn vaak wat staalachtig, de Ruwer rijk en de midden Moezel vaak weer wat stenig. Die verschillen zijn al bij flessen van minder dan twintig euro te proeven. Ter vergelijking: om de verschillen tussen de Bourgogne gemeenten Vosne-Romanée en Gevrey-Chambertin of de Bordeaux’ Saint-Émilion en Pomerol te proeven, moet je van veel betere huize komen en ben je financieel zeker het drievoudige kwijt.

Duitse Rieslings: Ik ben echt fan! Harold Hamersma verklaarde vorig jaar dat de trend Duitsland wit en rood zou worden. Die trend heeft zich nog niet doorgezet, we bleven die verschrikkelijke Prosecco drinken, maar de Duitse Rieslings komen eraan! Hadden  ze het toch goed in die jaren zeventig. Weet je wat? Ik ga mijn snor laten staan.

Schwartzhofberger

Share

De valsistiese wijnkenner

Ik heb momenteel het gevoel overspoeld te worden met allerhande lijstjes; het belangrijkste nieuws, beste songs, belangrijkste twitteraar, lekkerste wijn, goede voornemens etc.

Bij deze stortvloed van lijstjes moet ik vaak denken aan de handleiding voor de Valsistiese Intellectueel die Koot en Bie publiceerden in hun Bescheurkalender van 1979 (ik was toen zeven jaar oud, maar leerde het later kennen door Het Groot Bescheurboek). Deze handleiding bevatte onder meer een aantal lijstjes met behulp waarvan je je in ieder gesprek als intellectueel staande kon houden. Bijvoorbeeld: “Tien boeken die hij beweert gelezen te hebben… 3. Faust –Goethe (‘zeg erbij: het duidelijkste werk over de mannelijke Menopauze dat ik ken’.” En ook muziekflarden die hij moet kunnen neuriën: De Drie Gymnopédies van Erik Satie, maar ook de Kleine Kokette Katinka. Nu is intellectualiteit niet meer zo hip als in 1979, maar is hedonisme daarentegen wel weer heel vet. Vandaar mijn bijdrage om je overal als wijnkenner staande te kunnen houden.

Tien tips voor de Valsistiese wijnkenner

1. Spreek van mooie of grote wijn, zeg nooit lekker.
2. Zeg over een wijn met veel nasmaak ‘hij heeft een goede afdronk’, of beter nog ‘een goede lengte’.
3. Zeg over een wijn die niet zoveel geur afgeeft ‘hij heeft een toegevouwen neus’.
4. Een wijn ruikt sowieso niet, maar heeft een neus.
5. Een vol smakende wijn kent een goede extractie of een goede materie.
6. Zeg bij wijnen met veel extractie en overvloedig houtgebruik dat je de wijn geparkeriseerd vindt (naar wijnschrijver Robert Parker, die de neiging heeft dit soort wijnen van hoge beoordelingen te voorzien. Nog beter is het de Franse term Parkerisé hiervoor te gebruiken. Het is bon ton om af te geven op Parker.
7. Als andere mensen nog uitgebreid aan het proeven zijn, zorg dat je nog steeds bezig bent het uiterlijk van de wijn te beoordelen en zorg dat iedereen dit goed kan zien. Zie hiervoor de eerdere bijdrage over kleur.
8. Schroom niet om flink te slurpen, je proeft de wijn niet alleen beter, maar het vestigt ook de aandacht op je.
9. Laat de eer om een wijn voor te proeven altijd met een groot gebaar aan iemand anders. Je voorkomt gezichtverlies als de wijn toch kurk blijkt te hebben en je het zelf niet had geproefd.
10. Als je de wijn wel voorproeft, schroom niet om een of meer flessen terug te sturen. Dat lijkt heel gedurfd, maar een restaurant geeft de wijn toch weer terug aan de importeur, dus de meeste restaurants zullen zonder discussie de wijnen terugnemen.

Share

Een fles Champagne openen

Het begon eigenlijk als een treurig verhaal. Een vriend van Erik van der Velde was net overleden. Die vriend had altijd veel van Champagne gehouden en ik begeleidde veel wijnproeverijen en gaf wijncursussen en daarom vroeg Erik aan mij of ik niet een Champagneproeverij wilde geven ter nagedachtenis van zijn overleden vriend. Natuurlijk wilde ik dat en ondanks de treurige aanleiding van de proeverij was men wel heel enthousiast. Zo enthousiast zelfs dat Erik vroeg of ik zo’n proeverij niet vaker wilde begeleiden en zo werd het bedrijf champagneproeverij.nl geboren.

Ontelbaar veel malen heb ik zeer diverse gezelschappen verteld over de tweede gisting, de dégorgement, liqueur d’expédition, de geschiedenis van Champagne, het verschil tussen Chardonnay, Pinot Noir en Pinot Meunier  etc, etc. Ondertussen ben ik andere dingen gaan doen, maar Erik heeft nog steeds een aantal zeer capabele docenten in dienst en zij zullen zeker nog steeds die ene vraag horen, die mij ook altijd gesteld werd: Hoe maak je nou eigenlijk een fles Champagne goed open?

Share

Wijn & spijs

Kerst was altijd de spannendste tijd toen ik als student in een wijnwinkel werkte. Eindelijk werd de magische grens van tien gulden voor een fles doorbroken en nog belangrijker: klanten wilden advies. Advies over wijn bij Zeeduivel met saffraansaus, Portobello gevuld met wilde spinazie en noten, grijspoot Patrijs met zuurkool en aardappelpuree. En het was leuk door het assortiment te lopen en hardop denkend te beslissen wat nou het beste combineerde bij peer met warme vanillesaus.

Wijn en spijs vormen een boeiende combinatie. Geen drank kan een gerecht zo mooi complementeren als wijn, maar een verkeerde wijn kan ook heel verkeerd uitpakken (voor de wijn in het bijzonder). Veel restaurants hebben niet voor niets een sommelier in dienst om de gasten hierover te adviseren.

Uit de eerste reacties op dit blog bleek dat lezers mijn stukjes vonden, omdat ze zochten naar wijnadviezen voor het kerstdiner. Trouwe lezers mag je niet teleur stellen dus ik moet er ook aan geloven. Hoe boeiend ik het onderwerp ook vind, het blijft lastig er iets concreets over te schrijven. Zoals ik in het stukje De Wijnkenner al schreef, zijn er weinig algemene wijnwaarheden die hout snijden. Laat staan dat het mogelijk is, je in het bestek van zo’n 600 woorden over wijn-spijscombinaties uit te laten, zonder een plank ergens mis te slaan.

Ik zal het met een voorbeeld toelichten: Klassiek is de combinatie van Chablis en oesters. Nu ken ik Chablis die zo strak zijn als een doorgesnoven puber zaterdagnacht op het Rembandtplein. Er zijn ook Chablis zo weelderig en exotisch dat het Kwakoefestival in de Bijlmer er bleekjes bij afsteekt. De eerste groep Chablis kan ik van harte aanbevelen bij oesters, de tweede soort absoluut niet.

Maar toch een poging: Je kan wijn bij een diner op twee manieren selecteren. Je kan opzoek gaan naar wijnen die een contrasterende smaak bij het gerecht hebben. Het zuur in veel witte wijn contrasteert bijvoorbeeld vaak met het vet in vis en daarom kunnen die smaken elkaar goed ondersteunen. Om dezelfde reden gaat het fruit en frisheid van Bourgogne goed samen met wild. Anderzijds kan je ook op zoek gaan naar smaken die harmoniëren met elkaar. Bij verfijnde gerechten zal ik altijd een fijne, elegante wijn schenken. Bij zoete (na)gerechten een zoete wijn.

Het is echter ook belangrijk te weten dat smaken in elkaar kunnen oplossen. Bij een zoet nagerecht zal een dessertwijn een stuk minder zoet smaken dan wanneer je dezelfde wijn bij kaas zou drinken. Dat is ook de reden dat chocolade zo ongelukkig met veel dessertwijnen samengaat; er blijft niets meer van over. -Een tip: geef bij chocolade een oxidatieve wijn zoals een Banyuls of een PX sherry.- Bitters in gerechten lossen de bitters in wijn op. Een jonge fruitige wijn met veel tannine gaat daarom juist vaak prima samen met een stuk gegrild vlees. En zo zijn er wel meer algemeenheden. De vraag die je bij het kiezen van wijn moet stellen, is wat blijft erover als een component (de bitters, het zoet, de zuren) wegvalt? Als wat er over blijft lekker lijkt bij het gerecht dan heb je een geschikte wijn te pakken.

Maar de belangrijkste tip: drink vooral lekkere wijn. De meeste mensen combineren de wijn namelijk helemaal niet met hun eten. Observeer maar eens in een beter restaurant. Men kiest een fles, deze wordt gebracht, men drinkt (in het gunstige geval) een half glas leeg, het gerecht wordt geserveerd, de wijn eventueel bijgeschonken, dan wordt vakkundig het bord leeggegeten en pas daarna wordt de wijn opgedronken. Dat heeft niets met het zorgvuldig combineren van wijn en spijs te maken, maar het heeft er vaak niet minder om gesmaakt.

kerstdiner

Aangezien ik nu vakantie heb, terwijl de meeste mensen waarschijnlijk alles in huis hebben, durf ik het aan: mail me als je tips bij specifieke gerechten wil:

matthijs(hier een apestaartje)opdronk.nu

Share

Bisschopswijn

Rond Sinterklaas zit Nederland weer aan de Bisschopswijn. Eigenlijk is dat niet onlogisch. Grote wijn wordt geroemd door een complex aan geuren en smaken. Helaas kunnen we ons niet al te regelmatig grote wijn veroorloven. Wat is er dan mis om wat fruit toe te voegen door middel van sinaasappelschil, de kruidigheid op te voeren via kruidnagel en kaneel en om de heel rijpe druiven van de grote wijnen te compenseren door middel van toegevoegde suiker? Overigens, het toevoegen van suiker is niet ongebruikelijk; er is vrijwel geen enkel Bourgogne-huis dat niet chaptaliseert -suiker toevoegt om een hoger alcoholpercentage te verkrijgen. De wijn wat warmer drinken in de gure decembermaand is ook geen slecht idee. Toch is het drinken van Bisschopswijn niet geheel zonder risico…

Als argeloze wijndrinker word je vaak geconfronteerd met studies die wijzen op de verschrikkingen van alcoholgebruik. Gelukkig zijn er nog knappere wetenschappers die staande houden dat alcohol en wijn in het bijzonder ook positieve effecten op de gezondheid kan hebben. In die zin zou het drinken van (Bisschops)wijn niet te ontraden zijn. Het nuttigen van deze wijn kan echter gevolgen hebben die zelfs de eventuele nadelen voor de gezondheid ver overstijgen!

Volgens een obscure, maar wetenschappelijk serieus onderbouwde theorie is het Romeinse Rijk ten onder gegaan aan wijn. Nu hoeft u als liefhebber van wijn niet in paniek te raken. De wijn die zo’n 2000 jaar geleden werd gedronken, is anders dan wat we nu drinken. Bij gebrek aan flessen en kurken was wijn niet goed houdbaar en als gevolg daarvan werd ze opgeleukt met vruchten, allerlei kruiderijen en andere toevoegingen, net zoals onze Bisschopswijn. En daar zit ‘m nou net het gevaar in. Volgens de hypothese van Jerome Nriagu in New England Journal of Medicine (1983) zouden met die toevoegingen ook allerlei loodhoudende stoffen in de wijn terecht gekomen zijn.  Dit lood zou zich hebben opgebouwd in de organen van de Romeinse elite die de wijn dronk. Met als gevolg een degeneratie van de heersende klasse die daardoor niet meer in staat was het enorme rijk adequaat te besturen En voilá, aldus is de ondergang van het Romeinse Rijk verklaard.

Klinkt nogal bizar, niet? Toch zijn er de nodige aanwijzingen om deze theorie te ondersteunen: uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de stoffelijke overschotten van Romeinen gestorven tussen 200 en 450  n. Chr. inderdaad verhoogde loodconcentraties bevatten. Ook is er lood gevonden in opgegraven wijnamfora’s uit die tijd. Een verband is daarom aannemelijk. Tevens is het medisch onomstreden dat lood leidt tot geestelijke degeneratie.

Oppassen dus met die Bisschopswijn!

Share

Over bier en tegelwijsheden

“In de hemel hebben ze geen bier en daarom drinken we het hier”. Zo valt te lezen in een kroeg waarvan ik niet zou willen toegeven dat ik er ooit geweest ben. Als ik al in dat café geweest zou zijn (hetgeen ik natuurlijk ontken), zou ik er bier hebben gedronken. Ik drink namelijk graag bier. Geen ingewikkelde bovengistende specialiteiten, maar gewoon pils. Een tapje Heineken, een beugel Grolsch of een blikje Warsteiner. Het smaakt me allemaal prima. Sterker nog: ik denk dat er meer mensen zijn geweest die mij ooit bier zagen drinken dan wijn. Op recepties, op feestjes, in het café en eenvoudige restaurants: ik drink er bier. Thuis drink ik wel wijn (en soms ook bier). Want eerlijk gezegd; de meeste eenvoudige wijnen vind ik niet zo heel lekker. Afgezien daarvan: bier beschikt over een kwaliteit die de meeste wijn niet heeft, het is namelijk dorstlessend.

Als ik anderen hiermee confronteer, krijg ik onmiddellijk de oud-Hollandse wijsheden naar mijn hoofd geslingerd: ‘Bier na wijn geeft venijn’ of de tegenhanger ervan ‘wijn na bier geeft plezier.’ Nu heb ik in de loop der jaren beide dranken in diverse hoeveelheden voor en na elkaar gedronken. Ik geloof niet dat mijn dronk significant plezieriger dan wel venijniger werd als gevolg van een bepaalde volgorde. Net zomin als ik een verschil in katers heb kunnen ervaren. Het enige dat ik wel op empirische wijze heb kunnen vaststellen is, dat een grotere hoeveelheid drank een duidelijke relatie kent met de zwaarte van de kater. De volgorde doet niet ter zake. –Overigens van alleen maar grote wijnen kan je helaas ook hele venijnige katers krijgen.-

Toch bevatten de twee gezegden een zekere waarheid. Het gaat hier namelijk om een sociaal-economisch fenomeen uit het verleden. In Nederland is het al sinds mensenheugenis zo dat in de rijkere milieus wijn werd gedronken. De lagere klassen dronken bier. Als bierdrinker geboren en op latere leeftijd een wijndrinker geworden, betekende dat je was gestegen op de maatschappelijke ladder. Minder plezierig was het als je omgekeerd een paar treden was gedaald en je je slechts bier kon permitteren. Dat verschil in sociale achtergrond is vaak nog steeds zichtbaar. Op wijnproeverijen kom ik toch een ander slag mensen tegen dan degenen die met een beker bier in de hand naast me zitten tijdens de thuiswedstrijden van Ajax.

Voor alle duidelijkheid: het allerliefste drink ik natuurlijk wijn. Goede wijn. En in de hemel? Daar zal ik geen bier drinken. Daar krijgen we vast een behoorlijk glas wijn. Want hoe heette ook alweer de apostel die de sleutels van de hemelpoort bij zich droeg? Juist die ja!

petrus

Share

Concept

Vorige week kreeg ik van een collega de link naar 94wines.com. Ik heb heel wat wijnconcepten voorbij zien komen, maar dit is wel heel extreem. Gematteerde flessen in verrassende kleuren; paars, groen, zilver etc. De fles lijkt herkomst, noch druivensoort te vermelden, maar centraal staat een groot nummer en daaronder de soort.

Is een aanduiding als 24 RED het enige? Nee, op de achterkant staat een unieke QR code en die kun je met de camera van je smartphone inlezen om toegang te krijgen tot een digitaal bestand (bent u er nog?) dat een persoonlijke boodschap kan bevatten. Dat schijnt als cadeau-item leuk te zijn.

Marketing en wijn is altijd een lastige combinatie geweest. Onlogisch is dat niet. Stel; je hebt als wijnhuis net een paar miljoen in de reclame gestopt en kort daarop word je geconfronteerd met een rampzalig wijnjaar. Rottende, verregende en onrijpe druiven vormen het basismateriaal. Knappe wijnmaker als je dan nog iets behoorlijks in de fles weet te krijgen. Al je investeringen in marketing zijn tevergeefs geweest, want een nieuwe klant binnenhalen is al lastig, maar een teleurgestelde klant terugwinnen schier onmogelijk.

Een van de uitzonderingen hierop is Champagne. Bij Champagne speelt marketing sinds oudsher een enorm belangrijke rol. Deze wijn wordt zo noordelijk gemaakt dat wijnboeren ingesteld zijn geraakt op slechte oogsten. Als gevolg daarvan zijn ze met elkaar gaan handelen en is het gebruikelijk geworden verschillende oogstjaren met elkaar te mengen. Dit gecombineerd met het feit, dat de wijnmaker tijdens het tamelijk omslachtige productieproces vaak de mogelijkheid heeft om in te grijpen, maakt het begrijpelijk dat je in de Champagne ieder jaar iets op de markt kan brengen dat altijd hetzelfde smaakt. Marketing heeft dan ook zin en dat blijkt uit het succes: Wijn van rond de dertig euro is moeilijk te slijten, maar even kostbare Champagne lijkt niet aan te slepen.

Stille wijnen zijn dus moeilijker te vermarkten, maar dankzij betere productietechnieken en wellicht de opwarming van de aarde, lukt het wijnmakers steeds beter een stabiele kwaliteit te produceren. De tijd is dus rijp zijn voor meer wijnmarketing. Die trend is ook zichtbaar, Penfolds is een groot merk geworden, iedereen kent J.P. Chenet met die ‘authentieke’ kromme hals en we hebben natuurlijk onze Nederlandse Bordeaux: la Tulipe Noir. Ik ga maar niets over de kwaliteit van deze wijnen zeggen. Dat is het onderwerp van dit stukje niet.

Ik vraag me af of het 94wines concept zal aanslaan. Ik gun het ze wel, want ik vind het een bijzonder creatief idee. De wijnconsument is echter behoorlijk traditioneel. Vandaar ook het succes van die ‘authentieke’ J.P. Chenet-hals, maar bijvoorbeeld ook de moeizame acceptatie van alternatieven voor de wijnkurk.

Ik heb ooit een klas van de Rietveld Academie begeleid, die een lijn etiketten voor wijnen moest ontwerpen. Ik had de studenten gevraagd een honderdtal wijnen te bekijken en alleen op basis van de fles en etiket iets te zeggen over de verwachte prijs en kwaliteit van de fles. Wat bleek: De meest suffige etiketten werden geassocieerd met de hoogste kwaliteit.

Om uit te zoeken welk wijnnummer het beste bij mij zou passen heb ik op de site van 94wines een Wine ID laten maken. Naar aanleiding van een korte enquête met vragen of ik meer van meloen (‘Zou het advies een goede halfdroge Rheingau Riesling zijn?’ Dacht ik hoopvol) of van anijs hield, liever in een bar dan in een restaurant kwam etc, werd een smaakprofiel samengesteld. Misschien ben ik zelf wat traditioneel, maar ik heb de aanvechting kunnen onderdrukken onmiddellijk de 23 RED te bestellen. Ik loop toch niet zo warm voor een Merlot-Cabernet uit de Pays d’Oc in een paarse fles. Vanavond dan maar een wat meer traditionele Merlot-Cabernet … met bijbehorend oubollig etiket.
IMG_3251

Share

Zwak vlees

Voor me ligt de nieuwste Christie’s wijnveilingcatalogus te glanzen. Een soort Playboy voor wijnliefhebbers. De lekkerste wijnen staan er in en de mooiste flessen glimmen je full colour, paginagroot met de meest uitdagende etiketten tegemoet. Speciale aandacht is er vaak voor de meer bijzondere formaten, maar waar de Playboy meestal wat jongere modellen laat zien, trekken in de wijncatalogus vooral de oudere geboortejaren de aandacht.

Op de voorkant prijkt in rood pluche een fles La Tache 1969 (est. € 1000,- € 1200,-) en op de achterkant staat een relatief jonge fles Pétrus 1990 (est. 1600,- € 2000,-). Meestal is het enige appèl dat de catalogus op me doet ten arren moede een wandeling naar de sigarenboer te maken om toch maar weer een staatslot te kopen. Dit keer ga ik misschien wel bieden.

Zijn die veilingwijnen zo belachelijk duur? De topwijnen kosten zeker veel geld en tel daar ook nog eens 20 % veilingcommissie bij. Maar toch, een fles Château Latour (Pauillac) uit het weinig spectaculaire jaar 2007 moet in de reguliere handel gemiddeld € 305,- opbrengen. Die Latour is zeker nog niet op dronk nu. De charme van zo’n wijn -voor zover je Latour charmant zou kunnen noemen- is dat die heel lang kan rijpen en pas na een of meer decennia op zijn hoogtepunt is. Als je dan toch € 300,- per fles kan en wil uitgeven, waarom dan niet proberen te bieden op een kist Latour 1970 (est. € 3200,- € 4000,-) of anders tien flessen Château Margaux 1983 (€ 2400,- € 3000,-)? Dat zijn enorme bedragen, maar in vergelijking met de piepjonge Latour valt het weer mee. En het zijn natuurlijk niet alleen maar premiers cru’s die ter veiling worden aangeboden.

Ik heb best wat oude topwijnen gedronken, meestal was het een goede vriend die de flessen voor me opentrok. Vaak heeft het mij hele aangename herinneringen opgeleverd. Soms helaas niet. Het probleem met die oude wijnen is dat je niet altijd op ze kan rekenen. Je weet nooit hoe ze bewaard zijn. Je weet niet wat er in al die jaren mee gebeurd is en er zijn vervalsingen in de handel. Bovendien is het zo, – en zo vergaat het ook de jeugdige modellen uit de Playboy – dat na al die jaren ieder foutje zich onverbiddelijk aandient.

Mijn grootste teleurstelling overkwam mij toen ik nog studeerde. Ik werkte bij een wijnhandel en om die bijbaan te bekostigen, maakte ik de wc’s van een naburig nachtcafé schoon. Ik moest en zou de beste wijn uit mijn geboortejaar drinken. Een bevriende restaurateur had een magnum Musigny Vieilles Vignes, Comte de Vogüé 1971 voor Hfl. 700,- gekocht. Ik mocht die wel overnemen en had het na een jaar met aanbetalingen van vijftig gulden bij elkaar. Vol verwachting maakte ik de fles open om de inhoud een kwartier later door de gootsteen te spoelen; volledig geoxideerd! Een kater zonder gedronken te hebben.

Oude wijnen – een soort Russsisch Roulette. Als het fout gaat, gaat het genadeloos fout. Maar ja … het vlees is zwak.
Miss Musigny 1971

Share

Welke streek?

“Precies weet ik het niet. Ik dacht dat het de zuid-westelijke kant van de Bourgogne was, Côte à Ouvrir, dat stond in ieder geval boven op de doos.”

Share

Wijn onder een tientje

Zolang ik me kan herinneren geeft Hubrecht Duijker zijn wijnalmanak uit. Dit boekje publiceert hij de laatste jaren met Harold Hamersma -aan wie ik overigens goede herinneringen bewaar van de tijd dat wij samen in Het Parool-wijnpanel zaten. In Nederland word je als wijnkenner erkend als je zo goedkoop mogelijke wijnen weet te selecteren (zie daarvoor mijn eerdere post). Dat heeft Duijker goed begrepen. De wijnalmanakken droegen altijd de ondertitel ‘de beste wijnen voor onder een tientje’ en sinds de introductie van de euro: ‘De beste wijnen onder de vijf euro’. Dat is opmerkelijk. Zoals iedere Nederlander zich vast nog voor de geest kan halen, leek alles duurder te worden met de euro. Huizen, horeca, uurtarieven, collegegelden, noem maar op. Alleen wijn niet? De ondertitel van die boekjes suggereert dat de beste wijn in 2009 slechts tien procent (verschil tussen vijf euro en tien gulden) duurder is dan de beste wijn in 1995.

Dat kan natuurlijk niet en dat is ook niet zo. Wat er gebeurd is, is dat de heren steeds goedkopere wijnen zijn gaan selecteren. Wijnen van rond de tien gulden, die ik me uit de jaren negentig herinner, kosten nu meestal aanzienlijk meer dan tien euro. Natuurlijk zijn de productietechnieken inderdaad wel verbeterd, zo zullen de auteurs tegenwerpen, maar de prijzen van druiven zijn tegelijkertijd enorm gestegen. Zo is bijvoorbeeld de prijs voor bulkdruiven in Spanje tussen 1996 en 1998 met dertig procent omhoog gegaan. Die trend heeft zich ongetwijfeld voortgezet.

In Nederland lijken we weinig last van een hogere wijnprijs te hebben: de gemiddelde prijs van een fles wijn was in 2008 € 2,76. Gemiddeld! Dat betekent dat wanneer ik een fles van zeg € 10 ,- euro drink er negen een fles van € 2,- leegmaken. Ik heb nooit begrepen hoe je voor dat soort bedragen wijn kan maken en ik wil het eerlijk gezegd ook niet weten.

Hamersma en Duijker zijn overigens niet de enigen. Nicolaas Klei is zeer succesvol met zijn supermarktwijngids en beweert zelfs dat sommige supermarktwijnen het waard zijn om om te fietsen! Wat me stoort is, dat journalisten onder het mom van voorlichting meehelpen de consument de illusie te verkopen dat je voor weinig geld echt goede wijn kan krijgen. Zelfs als die wijn ieder jaar een goedkopere en steeds eenvoudigere wijn blijkt te zijn. Dat heeft ook niets met voorlichting te maken, maar met geld. Een boekje over wijnen onder de vijf euro verkoopt namelijk zo goed. Helaas.

Share