Ik ben een Bordeaux-liefhebber. Dat betekent niet dat ik mijn neus ophaal voor Bourgognes, Spätburgunders, noordelijke en zuidelijke Rhônes, Priorats en Ribera del Duero’s en nog vele andere rode wijnen, om van de witte wijnen maar te zwijgen. Maar de wijn die ik het allerliefste drink, de wijn waarvan ik het meeste weet en die ik het beste begrijp is rode Bordeaux. Voor een leek klinkt dit minder opmerkelijk dan het is.

Overal ter wereld wordt Bordeaux nagemaakt. De combinatie van de Bordeaux-druiven Cabernet Sauvignon en Merlot is de meest voorkomende combinatie ter wereld. In Italië, Zuid-Frankrijk en Spanje zijn vele hectaren lokale druivensoorten gerooid ten faveure van deze Bordeaux-variëteiten. Ook buiten Europa, in de zogenaamde nieuwe wereld, zijn dit de meest aangeplante druivensoorten. Zoveel aanplant zelfs dat er in de VS een anti-lobby is opgericht onder de naam ABC (Anything But Cabernet). Al die aanplant is er niet voor niets. Het is echt niet zo dat wijnboeren vinden dat de blaadjes van Merlotstokken mooier ruizen in de wind. Dit is de smaak die de consument prefereert en daarom wordt er zoveel Bordeauxachtige wijn gemaakt.

Waarom is het dan zo opmerkelijk om jezelf als Bordeaux-liefhebber te profileren? Onder veel ‘kenners’ is het niet zo bon ton om Bordeaux lekker te vinden. De smaak van de massa is toch een beetje verdacht: McDonalds, Dell, Frans Bauer, Center Parcs, IJburg etc. Als kenner weet je van het bestaan van een obscure druivensoort in Noord-Italië, die alleen op zeer steile noord-oostelijke hellingen groeit, uitsluitend door kleine kindertjes met de hand te oogsten valt en extreem moeilijk te vinifiëren is, maar wel voor slechts luttele euro’s bij een nauwelijks vindbare boer te koop is. Als kenner weet je beter. Dat is een stuk interessanter.

In de tweede plaats speelt iets anders een rol. Vanaf de jaren tachtig werd men in Amerika liefhebber van Bordeaux. Tot en met de jaren zeventig was het armoe troef in de Bordeaux, maar met die Amerikaanse interesse gingen de prijzen omhoog, kwam er meer geld voor investeringen en konden wijnboeren het zich permitteren geld te steken betere wijnmaaktechnieken en in nieuwe houten fusten. En toevalligerwijze was de invloedrijke Amerikaanse wijncriticus Robert Parker dol op wijnen met veel extractie en veel nieuw hout. Het was dus logisch dat boeren hun wijnen steeds meer op Amerikaanse leest gingen maken. Sommige boeren gingen zelfs over op 200 % nieuw hout (nieuw hout tot en met de malolactische/tweede gisting en daarna wederom op nieuwe vaten). Voordeel van veel nieuw hout is dat wijnen in hun jeugd heel verleidelijk en weelderig kunnen zijn. Extreme gevallen van die overdreven ‘geparkeriseerde’ wijnen werden Dolly Parton wijnen genoemd.

In Europa bekeken de wijncritici, die hun invloed aanzienlijk hadden zien afnemen, deze gang van zaken met argwaan. En zoals iedere reactie een tegenreactie kent, werd opeens al het houtgebruik als verderfelijk gezien. Er ontstond zelfs een sekte rond een Amsterdamse wijnhandel die al het houtgebruik resoluut afwees: “Als god had gewild dat wijn naar hout zou smaken, had hij de druiven wel een houten schilletje gegeven’. Juist, zo lust ik er nog wel een paar. Het gerucht ging zelfs dat als medewerkers van die wijnhandel betrapt werden met een houtgerijpte wijn, ze slaag kregen met de duigen van een wijnvat (daar was dat hout dan weer wel goed voor). En natuurlijk: Amerikaanse invloed op een traditioneel, klassiek Europees product is natuurlijk ook wel heel verdacht.

Ten derde werd, dankzij de toenemende vraag, Bordeaux ook duur. En wat is er nou makkelijker je neus op te halen voor iets dat je niet kan betalen? Net zoals met het nodige dedain vaststellen dat een Lamborghini toch echt een auto voor nouvelle riche is. Dat mag wel zo zijn, maar Het neemt niet weg dat het ongetwijfeld goede auto’s zijn, die volgens bepaalde maatstaven ook mooi zijn. Overigens maakt Lamborghini ook wijn: ik heb een paar keer hun Campeleone 1998 gedronken en dat was echt heel lekker. Nu zijn goede Bordeauxs inderdaad vreselijk duur, maar hetzelfde kan gezegd worden van grote Bourgognes, Rhônes, TBA’s uit de Rheingau, toppers uit Italië of de sterren uit de Ribera del Duero. Als ergens meer vraag naar is, stijgen de prijzen, maar dat kan je het product moeilijk kwalijk nemen.

Bordeaux vind ik dus lekker. De balans tussen de bitters en de zuren, het frisse fruit als de wijnen jong zijn en het bouquet als de wijnen op leeftijd raken. Een beetje nieuw hout kan echt geen kwaad en die houtsmaak verdwijnt grotendeels als de wijn oudert. Ik hoop dat het niet ten koste van mijn autoriteit gaat als ik vanavond een fles zo verfoeide Saint-Émilion met houtrijping zal drinken. En dan luisteren naar bijpassende muziek:

Be Sociable, Share!
Share