The United Colors of Burgundy

Het type accountant kan iedereen zich voor de geest halen. Een taxichauffeur, filiaalhouder van een landelijke supermarktketen, leraar Duits op een middelbare school, boer (al dan niet vrijgezel), medewerker van de technische dienst en al die andere beroepsgroepen kunnen we makkelijk uittekenen. Eenvoudige typecasting.

Begin november was ik in de Bourgogne en wat mij daar zo opviel is dat al die producenten qua type zo ontzettend divers waren. De ene boer ontving je in zijn Marc O’Polo truitje en de ander in een broek met dubieuze vlekken. Je hebt nerds en aristocraten, leraren en dandy’s. We werden ontvangen in schimmelige kelders waar landbouwplastic de ergste lekkages buiten hield en in volkomen gestylde ontvangstruimtes met dure kunst aan de muur. Niets lijken deze boeren met elkaar gemeen te hebben, behalve dan een passie om de prachtigste wijnen ter wereld te maken. Op een enkele uitzondering na zijn het allemaal producenten van de meest gezochte en bijzondere Bourgognes (en in twee gevallen Champagne): klik op foto voor het album.

Bourgogne november 2012
Share

De kleren van de keizer

In het dagelijks leven ben ik onder meer docent Commerciële Economie aan de Hogeschool van Amsterdam. Een van de dingen die ik studenten leer, gaat over prijsstelling: de P van prijs in de beroemde marketingmix. Ik probeer ze uit te leggen dat de dure spijkerbroek, die de meesten aan hebben, kwalitatief niet zoveel beter is dan die van de Zeeman, maar dat een belangrijk deel van de waarde die ze aan die broek toekennen, gelegen is in de hoge prijs. Een broek van € 250,- voelt gewoon veel mooier dan een broek van €50,-

Enfin, wat heeft dit met wijn te maken? Ik hoor nu volksstammen in koor ‘ja’ roepen. ‘Belachelijk om meer dan een tientje voor een fles uit te geven.’ ‘Wijnen van boven de €100,- zijn obsceen.’ Zelf denk ik daar genuanceerder over. Een heel klein percentage wijn komt van wijngaarden die zo bijzonder zijn in expressie en levensverwachting dat het niet verwonderlijk is dat de hele wereld achter die wijn aanzit. Een kwestie van vraag en aanbod. Uit sommige toppercelen in de Bourgogne wordt per jaar niet meer dan zo’n 4000 flessen geproduceerd. En alle wijnboekjes en tijdschriften en blogs hebben het over die wijn. Vind je het gek dat de vraag zo groot is dat de prijs explodeert? En we kunnen die Chinezen, die nu astronomische bedragen neerleggen voor Franse topwijnen wel voor gek verklaren, maar ze willen weten hoe die wijn smaakt en hebben -helaas- het geld er voor en zijn bovendien ook nog eens met zovelen. Zo werkt het nu eenmaal. De Lafite’s, Petrusen en Romanée-Conti’s zijn niet zo duur omdat er een slimme marketingstrateeg achter zit, maar omdat ze allemaal hele unieke bijzondere wijnen maken waarvan de vraag vele malen groter is dan het aanbod. Dit nog afgezien van het feit dat het heel duur is om grote wijn te maken.

Toch zijn er ook producenten die ik verdenk van zo’n marketingstrategie. In de jaren negentig waren opeens de wijnen van Dom. Laurent de wijnen om in de gaten te houden. Dat ‘Dom.’ stond niet zoals je zou verwachten voor domaine, maar voor Dominique. Dominique Laurent, een voormalig patisserier, was een wijnhandelaar geworden, die boeren drie maal de prijs betaalde voor hun druiven als zij de wijnstokken en oogst helemaal volgens zijn specificaties zouden behandelen.

Naast mij ligt nu toevallig een Revue du vin du France uit 2002 met daarin een advertentie voor de primeur intekening van deze wijnen. Voor het niet zo grote jaar 2001 werden de volgende prijzen gerekend (primeur, levering februari 2004!) € 105,- voor een Fixin 1er Cru, € 150,- voor Nuits-Saint-Georges Les Chaignots 1er Cru en € 540,- voor een Grand Echézeaux. Destijds heb ik een paar van zijn jaargang 1996 geproefd. We waren niet onder de indruk. Ik had het gevoel dat de suikerpot flink gehanteerd was tijdens de vergisting. ‘Ha dat kan je verwachten van zo’n banketbakker’ werd er gesmuild. Daarna eigenlijk weinig meer van dit Dom. vernomen.

Tot mijn verbazing zag ik afgelopen zomer zijn wijn bij de supermarkt. Nuits-Saint-Georges 1er Cru Rue de Chaux VV 2007 voor een luttele €26,- en bij een andere super zijn Chateauneuf-du-Pape (Tardieu-Laurent) 2007 voor €22,-. De 2001 Chateneuf zou volgens de RVF destijds € 135,- moeten hebben opgebracht. Een opvallende verandering van marketingstrategie. Of zouden de wetten van vraag en aanbod uiteindelijk toch zwaarder hebben gewogen?

Momenteel is er een andere wijnmaker in de Bourgogne die furore maakt: Bernard van Berg. Deze voormalig fotograaf maakt alleen Bourgogne Grand Ordinaire en noemt deze le Vin plus Simplement. Klinkt heel bescheiden, helaas zijn de prijzen die hij vraagt iets minder bescheiden. De goedkoopste begint bij € 75,- (om ook wat minder bedeelden kennis te kunnen laten maken met zijn wijn, zo redeneert hij), de duurste zo’n € 350,- Zowel voor rood als wit. Vorig jaar was ik er op bezoek. We werden ontvangen door het zeer beminnelijke, al enigszins op leeftijd zijnde, echtpaar Van Berg. De ontvangst was niet in de kelder of in de wijnmakerij, maar op een klein kantoortje in het dorpje Meursault. Zorgvuldig werd de prijslijst voor ons neergelegd en er werd een witte en een rode wijn voor ons geopend. Ik geloof dat de rode wijn de ‘la Rose’ was (€200,- +). Van Berg produceert met extreem lage rendementen. Mooie diepgeconcentreerde wijn, maar eerlijk gezegd miste ik wel complexiteit. Volgens mij heeft dat te maken met het feit dat hij niet over de beste wijngaarden beschikt en dat met behulp van een enorme extractie probeert te verhullen.
Van je zwakte een sterk punt maken; le Vin plus Simplement, wat nou terroir? En dan wel prijzen vragen die veel Bourgogne Grand Cru doet verbleken. Dat klinkt als zeer uitgekiende marketing. Ik had het gevoel dat ik naar de kleren van de keizer zat te kijken. Misschien heb ik het mis. De beroemdste sommeliers van Europa zijn het momenteel met mijn oneens.

De tijd zal ons leren.

Share

Twitterproeverij

Er is een uitspraak die luidt dat 98 % van de wijn niet gemaakt is te ouderen. Degene die dit gezegd heeft, Jancis Robinson meen ik, heeft volkomen gelijk. Anderzijds; de romantiek van wijn is juist dat het een consumptieproduct is dat niet alleen houdbaar is, maar ook kan verbeteren in de loop van de tijd. Hoe bijzonder is het dat er wijnen zijn, die na meer dan vijftig jaar fantastisch smaken?

Waarschijnlijk beïnvloed door wijnhandelaren die bij hun wijnen meldden wanneer hun wijn op dronk was. (nu -1996, 1995-2013) droomde ik over een eigen wijnhandel met alleen oude wijnen, wijnen die volledig op dronk waren.

Toen ik bij een wijnimporteur kwam te werken, leerde ik snel anders: Er is bijna geen wijn die geschikt is om te ouderen en wijn die dat wel is, smaakt vrijwel altijd in zijn jeugd uitstekend. Werkend bij een importeur proef je de wijn vaak lang voordat hij op de markt komt. En op een gegeven moment ontwikkel je een voorkeur voor die piepjonge, op het fruit gemaakte wijnen met stevige tannines. Er was zelfs een moment dat ik wijnen op leeftijd gewoon niet meer lekker vond. Na een tijdje niet meer in de wijn werkzaam te zijn geweest (en in mijn kelder nog wat oudere aankopen trof en proefde), kwam ik terug op die beroepsdeformatie en nu vind ik het zonde dat zoveel wijn te jong wordt gedronken. Vandaar dit blog; opdronk.

Die beroepsdeformatie zie je nog steeds bij veel wijnprofessionals zoals journalisten en handelaren. Vrijwel alle wijn die beschreven wordt, wordt beschreven als de wijn jong is, terwijl grote wijn pas na jaren echt de moeite is om te beschrijven.
Enfin, nu ben ik gevraagd de maandelijkse Twitterproeverij te organiseren. In plaats van bepaalde druif of streek als thema leek het mij leuk een jaar centraal te stellen. Om de barrières voor de deelname niet onmogelijk hoog te maken, vielen de eerste voorstellen als 1928, 1961, 1945 en 1982 af. Het is 2005 geworden. In veel gevallen nog niet op dronk, maar in heel veel wijngebieden in Europa een absoluut topjaar. Ik ben heel benieuwd hoe dit jaar zich tot dusver ontwikkeld heeft.

Wannneer? Donderdag 11 januari 2012 om 20:00. Te volgen via de hashtag #twitterproeverij meer info http://www.twitterproeverij.webs.com/

Share

Erfgenaam

Het lijkt me niet makkelijk erfgenaam te zijn. Natuurlijk droom ik van de oudoom, die ik nooit gekend heb en die mij, geheel onverwacht, een prachtige wijnkelder nalaat Of anders mij een dusdanig legaat bezorgt, zodanig dat mijn inkomen weer in overeenstemming is met mijn drinkgedrag.

Ik bedoel de term erfgenaam hier echter niet in de materiële zin. –overigens in materiële zin erven is meestal ook niet zo prettig; over het algemeen moeten er eerst dierbaren dood alvorens er tot uitbetaling overgegaan kan worden.- Ik heb het over erfgenaam zijn in naam. Ik denk hierbij aan de zonen en dochters van succesvolle politici, schrijvers, wetenschappers, sporters etc. Het lijkt me een last ‘de zoon van te moeten zijn’. Van jongs af aan zal de vraag gesteld worden of je niet in de voetsporen van je vader zult treden. En alles wat je doet zal altijd vergeleken worden met je voorganger. Dat lijkt me meer een last dan een zegen.

Een paar weken geleden bezocht ik zo’n erfgenaam: Emmanuel Rouget. Hij is de neef van de befaamde wijnmaker Henri Jayer, de man die door velen wordt beschouwd als de beste wijnmaker ooit. Hoe goed de wijnen van deze Henri Jayer zijn, heb ik zelf nooit proefondervindelijk kunnen vaststellen: die suikeroom van me is een droom die nooit werkelijkheid is geworden. Maar zijn wijnen zijn letterlijk legendarisch. Tuurlijk Romanée-Conti is wereld-vermaard, net zoals Armand Rousseau of Petrus en Lafite-Rothschild in de Bordeaux, maar de naam Jayer heeft een mythologische klank. Zijn flessen kosten duizenden euro’s per stuk en degenen die er ooit één dronken, zullen de lege fles nooit wegdoen. Zo zag ik zelfs in de volstrekt, tot in de verste graad van perfectie, opgeruimde kelder van Didier Dagueneau een lege magnum Vosne-Romanée, 1er Cru Cros Parantoux 1978 van Jayer staan (zo’n fles kost momenteel tussen de €15.000 en €20.000).

Wat was het bijzondere aan de man? Hij was een van de eerste boeren die zelf onder zijn eigen naam ging bottelen en daarnaast was hij van mening, geheel tegen de tijdgeest in, dat wijnmaken in de wijngaard dient te beginnen en niet in de wijnkelder. Dat neemt niet weg dat hij donders goed moet hebben geweten wat hij met zijn druiven in de wijnkelder aan moest. En hij had ook oog voor een goede pers. Zie hieronder een aardig interview van Jancis Robinson met de charmante wijnmaker.

Henri Jayer heeft talloze wijnmakers geïnspireerd en tot voorbeeld gediend. En er zijn meerderen die kunnen claimen dat zij de erfgenaam van hem zijn; Jean-Nicolas Méo bijvoorbeeld. Maar Emmanuel Rouget is het echt. In 1996 kreeg hij het beheer over zijn wijngaarden, omdat de Franse overheid Jayer geen pensioen meer zou uitkeren wanneer hij zou blijven doorgaan met werken (en verdienen). Fantastisch voor Rouget zou je denken. Eerst een opleiding van de beste wijnmaker ter wereld en daarna de kans om zijn meest kostbare bezit in beheer te nemen.

Deze kans leidde tot veel jalousie onder collega-wijnboeren en buren: De voormalig tractor-monteur was natuurlijk helemaal niet zo’n getalenteerde wijnmaker. Zijn oom deed gewoon nog alles doen en Rouget maar met de eer strijken. Een beschuldiging waar je je maar moeilijk tegen kunt verzetten. De beschuldiging bleef klinken ook toen duidelijk was dat Jayer echt te oud was om zich nog met wijn (althans het maken ervan) bezig te houden. Na het overlijden van Jayer in 2006 bleven de wijnen van Rouget wijnen zeer gewaardeerd, maar zo goed als de wijn van zijn oom? Ook was oomlief niet altijd de schattige man zoals hij in interviews naar voren komt. Nooit complimenteus en altijd kritisch. Ik ken het verhaal van een Nederlandse wijnjournalist die onderweg in de in de auto van de oude Jayer te horen kreeg dat het de bedoeling was neef Emmanuel flink op de korrel te nemen: ‘Dat houdt hem scherp.’

De geruchten eind jaren negentig, dat Emmanuel Rouget depressief zou zijn en een drankprobleem zou hebben, zijn waarschijnlijk niet helemaal uit de lucht gegrepen. Tijdens ons bezoek in februari viel het me op dat hij zelf niet meeproefde. Dat is behoorlijk ongebruikelijk onder wijnmakers. Een teken aan de wand. Ook was hij in de omgang wat stil en teruggetrokken: Hij gaf het begrip ‘betekenisvol schoudersophalen’ een nieuwe dimensie. Maar toch, ondanks zijn gereserveerdheid vond ik het een vriendelijke man. We proefden zijn hele lijn 2009 van het fust. En weliswaar is 2009 een van de allergrootste jaren van de laatste vijftig jaar in de Bourgogne: ik kan mij niet voorstellen dat die Henri Jayer ooit mooiere wijnen maakte.

Share

Contrast

Een paar weken geleden was ik op bezoek bij twee verschillende Champagne-boeren. Of iets eerbiediger; Champagne-producenten. De eerste was Alexandre Chartogne van het huis Chartogne-Taillet. Deze wijnmaker heeft, nadat hij het domein van zijn familie overgenomen, het roer radicaal omgegooid. De productie is met zo’n 60% afgenomen, hij werkt volledig biologisch-dynamisch en met behulp van het familie-archief probeert hij de wijngaarden weer te herstellen zoals ze er een aan paar eeuwen geleden bijlagen. Ook het gebruik van landbouwmachines heeft hij afgezworen en hij ploegt nu met behulp van paarden.

Dat ploegen met paarden is een modetrend. Veel meer huizen waaronder Pontet-Canet zijn erop overgestapt. Het is goed voor het milieu en gunstig voor de geestesgesteldheid van de wijnboer; het is een stuk ontspannener achter een paard aan te lopen dan op een lawaaiige tractor te zitten. Een zwaarwegender argument is dat die zware landbouwmachines nogal impact hebben op de bodem en dat het kostelijke terroir mag niet verloren gaan.

Dat terroir lijkt in de Champagne steeds belangrijker te worden. Veel producenten werken nu parcellair. Dat betekent dat ze ieder perceel apart vinificeren en opvoeden. Dat lijkt paradoxaal. Het succes van de Champagne is namelijk –in ieder geval ten dele- te danken aan het feit dat men daar gewend is verschillende jaargangen, percelen en druivensoorten te mengen. Zo kunnen de producenten jaar in jaar uit dezelfde kwaliteit wijn op te markt brengen. Een stabiele Champagnesmaak is eenvoudiger te vermarkten dan een ieder jaar wisselende kwaliteit. Het is dramatisch je volledige promotiebudget te zien verwateren in een verregende oogst. Het succes van de wijnstreek Champagne is voor een belangrijk deel een marketingsucces. Verschillende wijngaardjes en jaargangen apart op de markt brengen is in die zin niet des Champagnes.

Alexandre Chartogne werkt bio-dynamisch en parcelair en maakt hoe dan ook prachtige wijnen. We proefden onder meer zijn Les Barres en Fiacré. Het zijn rijke, volle, zware en complexe Champagnes. Niet echte aperitiefwijnen, maar meer wijnen voor aan tafel. Qua smaak leken ze meer op grote Bourgognes dan op Champagne.

Wat ook opviel was hoe enorm innemend de wijnmaker was. Vriendelijk en zeldzaam bescheiden. Oprecht blij met de interesse in zijn wijnen, echt enthousiast met ons bezoek. En het is echt niet zo dat hij zijn Champagne niet kwijt kan. Hij liet ook nog een wijn van zijn grote voorbeeld Anselme Selosse proeven. Dat had ik nog nooit eerder meegemaakt bij een wijnboer. ‘Wat leuk dat jullie mijn wijn lekker vinden, maar ken je de wijn van mijn voorbeeld en concurrent? Dat is ook echt lekker.’ Hij liet een nieuwe Champagne van het domein Jacques Selosse proeven: La Côte Faron. Ook een parcellair gemaakte wijn. Inderdaad; echt lekker, een prachtige en indrukwekkende wijn.

Wat zuidelijker in de Champagne gingen we op bezoek bij Cedric Bouchard. Bescheiden en onderdanig zijn niet de eerste adjectieven die bij je opkomen als je deze wijnmaker ontmoet. Op de vraag of er wijnmakers waren die hij bewonderde keek hij alsof hij het in Keulen hoorde donderen: Het idee alleen al! In een stortvloed van rap Frans onderwees hij ons over zijn visie en wat zijn vader (ook een Champagne-producent) allemaal fout had gedaan. Het college duurde en duurde en na afloop mochten we eindelijk een viertal van zijn Champagnes proeven. Mijn reisgenoot dacht nog even roet in het eten te gooien door te vragen naar het type glas waar we uit gingen proeven. “Ja glaswerk dat is echt belangrijk voor mij.” En een heel exposé volgde over de bijna failliete glasfabriek waar hij speciaal in opdracht nog dit glas had laten maken. Maar zo gewichtig als zijn visies en filosofieën waren, zo lichtvoetig, fris, helder en strak waren zijn Champagnes. Ongelooflijk wat lekker en zeer geschikt om gewoon ‘los’ te drinken. We proefden Champagne Inflorescense (vaders wijngaarden die Cedric bewerkt) de Lieu-dit “Côte de Val Vilaine” en de Lieu dit “Côte de Béchalin”.Van de Champagnes Roses de Jeanne, afkomstig van eigen wijngaarden, proefden we de Lieu-dit “La Bolorée” (Pinot Blanc) en de Lieu-dit “Les Ursules. (Lieu-dit is een perceel/akker met eigen naam. Vergelijkbaar met de Bourgogne.)

Twee wijnmakers die in stijl en persoonlijkheid ze recht tegenover elkaar lijken te staan, maar beiden lieten zien wat een variatie er in die belletjeswijn te vinden is. Ik was onder de indruk.

De Champagne van Jacques Selosse die we proefden bij Alexandre Chartogne, was niet helemaal nieuw: eerder werd deze cuvée verkocht onder de naam Contraste. Een passende naam in de Champagne.

Share

Dagueneau

Morgenochtend vroeg vertrek ik op wijnreis. Heel veel zin en een goede reden weer eens wat stukjes op dit blog te plaatsen. Vroeger toen ik nog actief in de wijn was, bezocht ik vaker wijnlanden en vooral Frankrijk. Nu is het enige tijd geleden. Ik ga met de importeur van onder meer een aantal gerenommeerde Bourgognehuizen, Chris Janselijn (zie o.a. www.topbourgognes.nl) op stap en we zullen naast de Champagne en de Bourgogne (uiteraard) ook een bezoekje brengen aan het huis van Didier Dagueneau.

Didier Dagueneau zelf is nu zo’n twee-en-een-half jaar geleden overleden en gold als de beste wijnmaker in de Pouilly Fumé. Onder collega’s was hij nogal controversieel. Hij had geen oenologie-opleiding genoten, was afkomstig uit de motorracerij en had een radicaal andere benadering van wijnmaken dan gebruikelijk in die streek. Hij werkte vooral in de wijngaard, oogstte extreem laat en schuwde houtgebruik niet. Hij maakte prachtige wijnen en zijn wijnen werden de duurste en meest gezochte uit de regio. Dit leidde tot enige jalousie onder collega wijnmakers. Zijn uiterlijk was eveneens wat ongebruikelijk. Tijdens een lunch waar zijn wijnen centraal zouden staan in een enigszins exclusief restaurant in Amsterdam werd hem de toegang ontzegd. De eigenaresse zag hem aan voor een zo’n hasj-toerist die zijn laatste geld in de coffee-shop had uitgegeven en verder scharrelend in zijn bestaan moest voorzien.

Enfin, zijn werk is overgenomen door zijn familie en deze week gaan we er langs. Het is niet de eerste keer dat ik het huis bezoek. In de winter van 1998 was ik er ook al. Er zou een afspraak voor ons zijn gemaakt door de toenmalige importeur. Daar aangekomen wist hij van niets. Rex Neve de naam van die importeur? Nooit van gehoord. “le nom me ne dit rien.” Maar goed nu we er toch waren. We waren welkom en of we al geluncht hadden? Na een rondleiding door zijn vlekkeloos schone kelder maakte vooral een vat dat uiteindelijk in zijn beste cuvée ‘Silex’ zou belanden diepe indruk. De druiven voor dit vat waren allemaal geoogst van wijnstokken van 80 jaar en ouder. Dat wijn van Sauvignon Blanc zo dik, geconcentreerd, rijk en weelderig kon zijn. Ongelooflijk, ik heb erwtensoep gegeten die dunner was.
De lunch was evenzo memorabel: Côte du Boeuf uit de haard met gestoofde prei. Aan een lange tafel schoven de werknemers aan die op het land aan het werk waren geweest, kinderen en honden die renden om en onder de tafel en prachtige wijnen werd geschonken. Een tafereel dat eerder deed denken aan een romantische Franse film dan aan de werkelijkheid. Ik bewaar er nog steeds goede herinneringen aan.

Terug in Amsterdam werd het een soort running gag. Als een klant vroeg of we ook wijn hadden van Dagueneau. “Dagueneau? Le nom me ne dit rien.”

Share

Valandraud

In het conservatieve en traditionele Franse wijnlandschap ontstond eind jaren tachtig een nieuw type Bordeaux, de zogenaamde garagewijn. Deze naam dekt een dubbele lading; de wijnen werden niet in de kelders van eerbiedwaardige chateaux gemaakt, maar in schuren, loodsen, ja zelfs in garages. En de wijnen werden echt gemaakt, de druiven werden door technisch zeer onderlegde wijnmakers met de modernste technieken tot wijn gesmeed.

De voorloper van de garagewijn is Le Pin, niet Château le Pin of Domaine le Pin, desnoods Clos le Pin, nee gewoon Le Pin. Deze Pomerol produceert ieder jaar slechts 500 tot 600 kisten wijn, die zeker nadat Parker een van de eerste oogsten 1982 100 punten gaf, fabelachtige geldbedragen moet opleveren. Momenteel kost een fles, afhankelijk van het jaar, tussen de 1100 en 2500,- euro.

Dit succes vond vooral in het naburige wijndorp Saint Émilion navolging. Château de Valandraud is de meest befaamde van deze wijnen. Sinds 1992 maakt Jean-Luc Thunevin daar een wijn, die naast enorme prijzen ook wagonladingen kritiek krijgt. Voor een deel komt die kritiek voort uit jaloezie. De status van een wijn is af te meten aan de prijzen die de wijn opbrengt (dit is bijvoorbeeld de basis van het Classificatiestelsel uit de Médoc van 1855). Het is dan best vervelend als een nieuwkomer plotseling veruit de duurste wijnen levert. De kritiek is ook inhoudelijk. Valandraud heeft geen terroir zeggen de critici, de Nederlandse TD van Cheval Blanc stelt zelfs schertsend dat Valandraud een wandelend terroir heeft. Dat zit zo: Thunevin heeft/least een paar verspreide percelen in de Saint Émilion. Mooie percelen met oude wijnstokken, dat wel, maar ze liggen zo verspreid dat de wijn geen eenduidig terroir omvat. En terroir is juist zo belangrijk in St. Émilion met haar Côtes en Graves. Om het nog erger te maken: bij Valandraud wordt niet ieder jaar wijn van dezelfde wijngaarden gemaakt. Thunevin koopt en verkoopt. Het terroir verplaatst zich en dat is natuurlijk helemaal schandelijk. Hoe kan men in zo’n geval iets zeggen over bijvoorbeeld de houdbaarheid van de wijnen? Hoe het komt dat Valandraud het woord Château in de naam kan gebruiken is al helemaal een raadsel.

Aan de ‘garage’ waar de wijn gemaakt wordt zal het niet liggen. Ik ben er in 1999, op het hoogtepunt van de Valandraud-hype, geweest. Het was weliswaar geen oude aftandse garage, maar de voormalIige garage in het oude centrum van St. Émilion had inderdaad weinig chateau-achtige uitstraling. Van binnen was het overigens wel luxueus, ik herinner me bijvoorbeeld een indoor zwembad. We waren als kinderen giechelig van opwinding dat we daar op audiëntie mochten. De wereldberoemde wijnmaker Peter Cisek van de Ribero del Duero, Dominio de Pingus was er ook en we kregen fustmonsters 1998 Valandraud en Pingus te proeven. Beide wijnen waren indrukwekkend, groot geconcentreerd, complex en weelderig, Ik realiseerde me dat dit waarschijnlijk de enige keer in mijn leven zou zijn dat ik de wijn zou drinken. Een fles van het mindere jaar 1996 kostte in Amsterdam al 1400,- gulden en de prijzen bleven stijgen. Een bijzonder moment.

Enige tijd geleden kwam ik de 2001 van Valandraud tegen, volgens Parker moet dat jaar een van de beste zijn. Tachtig euro voor een fles is veel geld, maar ook wel weer behapbaar. Een paar weken geleden proefde ik de wijn… Ik weet het niet, de wijn was geconcentreerd, de wijn had een lange afdronk, maar hij was ook een beetje saai. De wijn was zijn fruit kwijt en er was niets anders voor in de plaats gekomen. Geen ontwikkeld bouquet, geen verfijning ook niet na vele uren in de karaf. Zouden die jaloerse buren van Thunevin toch gelijk hebben gehad?

valandraud

Share

Zoet

Het karakter van een land is misschien beter af te lezen aan hoe ze wettelijk omgaan met hun streekproducten dan aan de smaak van de producten zelf. In Nederland beschermen we onze streekproducten nauwelijks. De belangrijkste regels die we hier in Nederland kennen gaan over hygiëne en voedselveiligheid. De kwaliteit van onze Edammerkazen bijvoorbeeld is voor de wetgever volstrekt irrelevant.

In Frankrijk gaat het daarentegen om kwaliteit en traditie. De belangrijkste regels voor wijnbouw hebben meestal betrekking op de ligging van de wijngaarden, gebruikte druivensoorten, minimaal alcoholpercentage en maximale opbrengst per hectare. Dat laatste is belangrijk, want als je de wijnboer dwingt minder wijn te maken dan hij kan, zorg je ervoor dat hij beter gaat selecteren waardoor de kwaliteit hoger wordt.

In Italië is het –uiteraard- allemaal wat ondoorzichtiger. In grote lijnen heeft men het Franse systeem overgenomen, maar de Denominazione di Origine Controllata (DOC) voldeed niet overal meer. Het was blijkbaar niet voldoende om de wijnen wettelijk te controleren, ze moesten daarnaast ook nog gegarandeerd worden (DOCG). Wat daar de meerwaarde van is, is nogal vaag. Zeker als je bedenkt dat het in sommige gebieden lijkt of de regels ieder jaar veranderd worden. Het resultaat daarvan is dat veel van de beste Italiaanse wijnen onder de meest eenvoudige herkomstbenamingen zoals Vino Tavola of IGT (soort Vin de Pays) op de markt worden gebracht.

In Duitsland hebben ze natuurlijk meest grondige wijnwetgeving ter wereld. Daar is onder meer het gewicht van de most (het onvergiste druivensap) van groot belang. Hoe zwaarder de most is ten opzicht van water, hoe meer er aan potentiële smaak in is opgelost dus hoe beter de wijn. Aangezien de oplossing voornamelijk suikers bevat, is goede most, zoete most. Zoete Duitse wijnen werden vroeger hoogst gewaardeerd. Het leuke was dat je bij een wijnbouwer in de Moezel of Rheingau een heel scala van wijnen kon proeven van strakdroog tot mierzoet. Alcoholpercentages doen niet zoveel ter zake: hoe zoeter de wijn, hoe minder alcohol meestal. En dat vind ik prima, want van mij mag het allemaal wel een procentje minder.

Waar Frankrijk wijntechnisch de internationale referentie is geworden, leken ze in Duitsland de boot te hebben gemist. Maar langzaam maar zeker komen Duitse wijnen weer in de mode. Dat ligt niet zo zeer aan het feit dat de internationale wijnsmaak aan het veranderen is, maar meer omdat ze in Duitsland steeds minder zoete wijn zijn gaan maken. Er is namelijk een rare paradox: terwijl zoutjes, frisdranken, magnetronmaaltijden, ontbijtgranen etc. steeds meer suiker bevatten, word je als wijndrinker niet meer serieus genomen als je van halfzoete wijnen houdt. Zoete wijnen verkopen niet. Een voorbeeld is het feit dat Moët & Chandon hun Demi Sec Champagne heeft ingeruild voor de Dry Imperial. Volgens de marketeers van Moët klonk dat minder zoet en zij kunnen het weten. In geen zelf respecterend restaurant of café word je bij de bestelling van een glas witte wijn gevraagd of je de droge of de zoete wil. Zelf ben ik verzot op halfdroge Riesling Spätlesers met weinig alcohol. Onovertroffen als aperitief of als doordrinkwijn. Dit weekend bezocht ik de grote wijnbeurs, de ProWein, in Düsseldorf. Het was Tröcken wat de klok sloeg. Nee, werd me met weemoed duidelijk gemaakt, een traditionele Spätlese is onverkoopbaar. Zoet is uit in wijnland.

Share

Wijn en doping

Het was eind jaren negentig toen ik een Zuid-Afrikaans wijnhuis mocht vertegenwoordigen op de gigantische wijnbeurs, de Vinexpo in Bordeaux. Na de afschaffing van de apartheid werd de internationale boycot van Zuid-Afrika opgeheven en mochten Zuid-Afrikaanse wijnen weer wereldwijd geïmporteerd worden. Dit bood kansen. Zuid-Afrika had een eeuwenoude wijnbouwhistorie. Het was onze eigen Jan van Riebeeck die daar de eerste wijnstokken aanplantte. Aan het eind van de achttiende eeuw was de wijn van Constantia de allerduurste en meest prestigieuze wijn ter wereld. Ter illustratie: het was de wijn die keizer Napoleon tijdens zijn verbanning op St.- Helena bestelde.

Het klimaat en de bodem moeten dus uitermate geschikt zijn om wijn te maken en de wijnwereld stortte zich op het Zuid-Afrikaanse potentieel. Bijkomend voordeel voor de Nederlandse markt is dat wijnnamen als Groot Geluk en Nooitgedag tot de verbeelding spreken.

Kwaliteitswijn produceren bleek echter niet zo eenvoudig te zijn. Dankzij de boycot was de wijnbouwkunde enigszins achtergebleven en daarnaast produceerde men alleen wijn voor de binnenlandse markt. De voorkeur van die markt was halfzoete witte wijnen. Absoluut geen wijn, die tegemoet kwam aan de toen heersende internationale smaak naar wijnen van het Bordeauxtype. Als een gek werden overal nieuwe wijnstokken aangeplant. Voor die nieuwe aanplant werden, zo blijkt met de kennis van nu, vaak verkeerde klonen gekozen.

Een ander problematisch punt was dat Zuid-Afrika graag prat ging op zijn ‘eigen’ druivensoort, de Pinotage. De Pinotage is een in 1925 bedachte kruising tussen Cinsault en Pinot Noir. Botanisch wellicht geslaagd, maar natuurlijk volstrekt ongeschikt om er drinkbare wijn mee te maken. Althans, de geur van een plastic tas vol met nat wasgoed heb ik persoonlijk nooit zo kunnen appreciëren.

Gelukkig waren er ook wijnmakers die hun best deden om echt goede wijn te maken. Een van die wijnhuizen mocht ik vertegenwoordigen op de Vinexpo. Kosten noch moeite werden door dat huis bespaard om een grote wijn te maken. Dure vaten werden vanuit Frankrijk aangerukt om de wijnen de juiste houtrijping te geven, wijngaarden werden opnieuw aangeplant en dure consultants ingehuurd om het best mogelijke daar te verwezenlijken.

Ik moest hieraan terugdenken toen ik de discussie over mijn vorige bijdrage volgde. De centrale vraag was: waar wordt er nou meer geknoeid, in de Bordeaux of in de Bourgogne? Eigenlijk moet de vraag zijn of dat wel zo erg is? Stel je voor dat je door middel van moderne technieken op eenvoudige wijze wijnen kan produceren die exact hetzelfde smaken als een Haut Brion 1989 of een Richebourg van Henri Jayer 1978? En dan voor een supermarktprijs. Zou dat niet een utopie zijn? Is het zo schandelijk trucs met de wijn uit te halen om een bepaald effect te krijgen? Blijkbaar wel: Toen ik op de Vinexpo in mijn stand stond, werd ik aangesproken door een Fransman. Hij deed heel geheimzinnig en ik begreep niet wat die man moest. Hij leek wel een drugsdealer die achteloze toeristen benadert. Uiteindelijk wist hij me discreet naar achter mee te nemen en daar drukte hij me een verfrommeld papier in de hand. “Le vrai goût Français” stond er boven en een faxnummer om te bestellen. Deze echte Franse smaak werd gecreëerd door een soort grote theezakken met zaagsel die je in de wijn kon hangen om er houtsmaak aan te geven zonder te hoeven investeren in kostbare houten fusten. Blijkbaar was het aanbieden van zaagsel een illegale activiteit.

Dit alles speelde precies een jaar na de Tour de France van 1998, die de geschiedenis zou ingaan als de Tour Dopage en het begin inluidde van de klopjacht op dopingzondaars. Zou er een relatie zijn?injectie

Share

Dolly Parton-wijn

Ik ben een Bordeaux-liefhebber. Dat betekent niet dat ik mijn neus ophaal voor Bourgognes, Spätburgunders, noordelijke en zuidelijke Rhônes, Priorats en Ribera del Duero’s en nog vele andere rode wijnen, om van de witte wijnen maar te zwijgen. Maar de wijn die ik het allerliefste drink, de wijn waarvan ik het meeste weet en die ik het beste begrijp is rode Bordeaux. Voor een leek klinkt dit minder opmerkelijk dan het is.

Overal ter wereld wordt Bordeaux nagemaakt. De combinatie van de Bordeaux-druiven Cabernet Sauvignon en Merlot is de meest voorkomende combinatie ter wereld. In Italië, Zuid-Frankrijk en Spanje zijn vele hectaren lokale druivensoorten gerooid ten faveure van deze Bordeaux-variëteiten. Ook buiten Europa, in de zogenaamde nieuwe wereld, zijn dit de meest aangeplante druivensoorten. Zoveel aanplant zelfs dat er in de VS een anti-lobby is opgericht onder de naam ABC (Anything But Cabernet). Al die aanplant is er niet voor niets. Het is echt niet zo dat wijnboeren vinden dat de blaadjes van Merlotstokken mooier ruizen in de wind. Dit is de smaak die de consument prefereert en daarom wordt er zoveel Bordeauxachtige wijn gemaakt.

Waarom is het dan zo opmerkelijk om jezelf als Bordeaux-liefhebber te profileren? Onder veel ‘kenners’ is het niet zo bon ton om Bordeaux lekker te vinden. De smaak van de massa is toch een beetje verdacht: McDonalds, Dell, Frans Bauer, Center Parcs, IJburg etc. Als kenner weet je van het bestaan van een obscure druivensoort in Noord-Italië, die alleen op zeer steile noord-oostelijke hellingen groeit, uitsluitend door kleine kindertjes met de hand te oogsten valt en extreem moeilijk te vinifiëren is, maar wel voor slechts luttele euro’s bij een nauwelijks vindbare boer te koop is. Als kenner weet je beter. Dat is een stuk interessanter.

In de tweede plaats speelt iets anders een rol. Vanaf de jaren tachtig werd men in Amerika liefhebber van Bordeaux. Tot en met de jaren zeventig was het armoe troef in de Bordeaux, maar met die Amerikaanse interesse gingen de prijzen omhoog, kwam er meer geld voor investeringen en konden wijnboeren het zich permitteren geld te steken betere wijnmaaktechnieken en in nieuwe houten fusten. En toevalligerwijze was de invloedrijke Amerikaanse wijncriticus Robert Parker dol op wijnen met veel extractie en veel nieuw hout. Het was dus logisch dat boeren hun wijnen steeds meer op Amerikaanse leest gingen maken. Sommige boeren gingen zelfs over op 200 % nieuw hout (nieuw hout tot en met de malolactische/tweede gisting en daarna wederom op nieuwe vaten). Voordeel van veel nieuw hout is dat wijnen in hun jeugd heel verleidelijk en weelderig kunnen zijn. Extreme gevallen van die overdreven ‘geparkeriseerde’ wijnen werden Dolly Parton wijnen genoemd.

In Europa bekeken de wijncritici, die hun invloed aanzienlijk hadden zien afnemen, deze gang van zaken met argwaan. En zoals iedere reactie een tegenreactie kent, werd opeens al het houtgebruik als verderfelijk gezien. Er ontstond zelfs een sekte rond een Amsterdamse wijnhandel die al het houtgebruik resoluut afwees: “Als god had gewild dat wijn naar hout zou smaken, had hij de druiven wel een houten schilletje gegeven’. Juist, zo lust ik er nog wel een paar. Het gerucht ging zelfs dat als medewerkers van die wijnhandel betrapt werden met een houtgerijpte wijn, ze slaag kregen met de duigen van een wijnvat (daar was dat hout dan weer wel goed voor). En natuurlijk: Amerikaanse invloed op een traditioneel, klassiek Europees product is natuurlijk ook wel heel verdacht.

Ten derde werd, dankzij de toenemende vraag, Bordeaux ook duur. En wat is er nou makkelijker je neus op te halen voor iets dat je niet kan betalen? Net zoals met het nodige dedain vaststellen dat een Lamborghini toch echt een auto voor nouvelle riche is. Dat mag wel zo zijn, maar Het neemt niet weg dat het ongetwijfeld goede auto’s zijn, die volgens bepaalde maatstaven ook mooi zijn. Overigens maakt Lamborghini ook wijn: ik heb een paar keer hun Campeleone 1998 gedronken en dat was echt heel lekker. Nu zijn goede Bordeauxs inderdaad vreselijk duur, maar hetzelfde kan gezegd worden van grote Bourgognes, Rhônes, TBA’s uit de Rheingau, toppers uit Italië of de sterren uit de Ribera del Duero. Als ergens meer vraag naar is, stijgen de prijzen, maar dat kan je het product moeilijk kwalijk nemen.

Bordeaux vind ik dus lekker. De balans tussen de bitters en de zuren, het frisse fruit als de wijnen jong zijn en het bouquet als de wijnen op leeftijd raken. Een beetje nieuw hout kan echt geen kwaad en die houtsmaak verdwijnt grotendeels als de wijn oudert. Ik hoop dat het niet ten koste van mijn autoriteit gaat als ik vanavond een fles zo verfoeide Saint-Émilion met houtrijping zal drinken. En dan luisteren naar bijpassende muziek:

Share